Het oliewerk
Op de benedenverdieping, in het vierkante gedeelte van de molen, wordt olie geslagen uit lijnzaad (zaad van de vlasplant). Het lijn- zaad wordt eerst in de pletter geplet tot gebroken lijnzaad.
Dan komt het op de kollergang. Twee zware kantstenen wrijven hier het lijnzaad tot lijnmeel.
De kantstenen op de kollergang
Het lijnmeel wordt verwarmd op het vuister (vuuster), een speciale houtkachel met daar bovenop een ijzeren plaat. Terwijl een door de molen aangedreven roermes voorkomt dat het lijnmeel aanbrandt, warmt het op tot vijftig à vijfenvijftig graden Celsius.
Op de vuuster komt lijnmeel op temperatuur.
Als het zover is hangt de molenaar twee wollen zakken of bulen aan het vuuster. Hij schort het roermes, trekt de vuusterring naar voren en laat het verwarmde lijnmeel in de zakken vallen.
De met warm lijnmeel gevulde bulen vouwt hij in de haren. Dat zijn grote leren ‘enveloppen’ die hun naam danken aan hun voering, die men vroeger van paardenhaar maakte.
De nog lege haren op het voorslag.
De haren gaan vervolgens rechtopstaand in de openingen in het voorslagblok: het laad.
De haren zitten in de voorslag.
Daarin worden ze met wiggen en vulstukken vastgeklemd.
Als de molenaar de slaghei, die de wig aanslaat, in het werk stelt perst de enorme zijwaartse druk de olie uit het verwarmde lijnmeel en vloeit deze weg in het bekken.
Door de slaghei (nr.2, een soort heipaal van zo’n 155 kg) wordt de slagbeitel (nr.4) naar beneden geslagen. Daardoor worden de “kussens” (nr.11) uit elkaar gedreven. Dat levert op dat de bulen met gemalen lijnzaad (nrs 8) onder druk komen te staan en dus de olie er uit wordt geperst.
Dit vloeit weg in het bekken (nr.9).
Aan het eind wordt de slaghei bovenin vastgezet (geschort) en de loshei (nr.1) slaat vervolgende slagbeitel (nr.3) naar beneden. Door de omgekeerde vorm t.o.v. de slagbeitel wordt de druk weggenomen en kan de haar met uitgeperst lijnzaad worden uitgenomen.
Vervolgens wordt de buul op de kaak gezet en van de (nu harde) koek afgestroopt.
Omdat in de geperste koek nog zo’n 14% olie zit, wordt hij in stukken gebroken en in de
appelpotten opnieuw tot meel gestampt.
De stampers boven de appelpotten.
Dat meel gaat weer onder de kollergang, wordt opnieuw verwarmd en dan in veel kleinere haren op het naslagblok nageslagen. Hierbij wordt een nog hogere druk gerealiseerd dan in de voorslag/
Het naslaan komt heel precies: Na 48 slagen van de hei luidt een belletje: de koek heeft dan nog zo’n 6% olie. Dat is ‘schraal’ genoeg voor veevoer.
De voorraad lijnkoeken na een middag olieslaan. En de gouden olie.
Nu is de optimale hoeveelheid lijnolie uit het lijnzaad gewonnen: zo’n 30 kilo per 100 kilo zaad.
De lijnolie wordt onder andere in de molen verkocht (niet geschikt voor consumptie):
Flesjes: 0,18 liter, 0,5 liter en 1 liter. Jerrycan van 5 liter.
Foto (en prijzen) anno 2015